Menu +

opdracht 18 – Observaties klassenmanagement, vakdidactiek, samenwerkend leren

Het doel van deze opdracht is dat je bij ervaren collega’s gaat kijken hoe zij een aspect van het lesgeven aanpakken. Je gaat na wat jij in deze les van deze docent kan leren. Als je jouw observaties met de docent na bespreekt, kun je dit verslag je ook opnemen in je portfolio.

tijdsbesteding: drie keer 6 uur

moment in de stage:

resultaat: ingevuld observatieformulier van opdracht a. en verslag van opdracht b. en c.

Opdrachtomschrijving

Inleiding
In de deze opdrachten ga je lessen observeren. Een les kan op duizend en één manieren worden geobserveerd en geanalyseerd. Daarom is het goed om bij een observatie op niet teveel aspecten tegelijk te letten. In de observatie opdrachten ga je letten op de volgende aspecten:

a. Klassenmanagement

b. Vakdidactisch handelen

c. Samenwerkend leren

Doel van deze opdrachten is dat je leert van andere docenten. Hoe handelen zij onder verschillende omstandigheden? Wat werkt wel en wat werkt niet? Bij elke opdracht vragen we je te benoemen wat jij van de observatie leert: wat zou je zelf als docent wel willen doen, en wat niet?

Voor elke opdracht geldt dat het goed is om je observaties te bespreken met de betreffende docent. Dat geeft je ook de gelegenheid om te vragen waarom een docent op een bepaalde manier handelt. Sommige observaties kun je wellicht in dezelfde les doen, maar doe dit niet te veel. Door specifiek op één aspect te letten, zie je meer dan als je op meerdere aspecten tegelijk let.

Let op: voor opdracht a maak je gebruik van een observatielijst die je volledig invult. Het is belangrijk dat je je eigen mening geeft over de observatie: Wat valt je op? Wat neem je er van mee? In opdrachten b en c maak je een kort apart verslag.

Opdracht a. Observatie klassenmanagement

Het is belangrijk om een goed werkklimaat in de klas te creëren. Goed klassenmanagement (ook wel: orde houden) is daarbij onontbeerlijk. Daarom ga je enkele docenten observeren in het klassenmanagement. Overigens komen bij klassenmanagement alle vijf rollen die je hebt als docent terug. Als jij de aandacht weet te vangen als presentator, zorgt dat voor een beter klimaat. Als jij de leerlingen welkom heet als gastheer, zorgt dat voor een beter klimaat. En zo zijn er nog veel voorbeelden te geven. In deze opdracht ga je echter niet letten op al die rollen.

Lees eerst hoofdstuk 4 uit het Handboek voor Leraren. Eventueel kun je ook de eerste twee hoofdstukken uit Lessen in Orde (Teitler, 2009) lezen. Observeer vervolgens twee docenten in steeds één van hun lessen. Gebruik het bijgevoegde observatieformulier.

Vraag ook één of meerdere leerlingen naar hun mening over klassenmanagement. Wat maakt dat het bij de ene docent beter loopt dan bij de andere? Het beste is om daarbij leerlingen te vragen die soms juist orde-verstorend gedrag vertonen. Bevraag eventueel ook de docent(en) over zijn mening over klassenmanagement.

Vul het formulier in tijdens het observeren. Vul ook je belangrijkste bevindingen / conclusies in op elk formulier. Wat viel je op? Wat zou je als docent wel/niet willen overnemen?  

Opdracht b. Observatie vakdidactisch handelen

Observeer in deze opdracht hoe een docent als vakdidacticus handelt. Let daarbij op hoe de docent nieuwe stof overbrengt. Er is wellicht wat overlap met de opdrachten waarin de rol van presentator en didacticus worden geobserveerd. In deze opdracht gaat het echter om een meer vakspecifieke invulling van deze rollen. In het bijzonder ga je letten op de mate van activerende didactiek: in hoeverre wordt de leerling geactiveerd om zich deze stof eigen te maken? Lees daarom eerst hoofdstuk 3 uit het Handboek voor Leraren.

Observeer de lessen van twee docenten, waaronder je vakcoach. Tijdens de les wordt er nieuwe stof aangeboden aan de leerlingen. De onderstaande vragen helpen je bij je observaties.

  • Vindt er oriëntatie op de nieuwe theorie plaats?
  • Geeft de docent aan wat het belang is van de nieuwe theorie?
  • Geeft de docent aan met welke eerder opgedane kennis en vaardigheden van de leerlingen de nieuwe theorie verband houdt?
  • Gaat de docent na of de leerlingen de benodigde voorkennis paraat hebben?
  • Hoe wordt de nieuwe theorie geïntroduceerd?
  • Welke rol spelen voorbeelden bij de introductie van de nieuwe theorie?
  • Wordt ook aandacht besteed aan non-voorbeelden van een nieuw begrip of aan situaties waarin niet aan alle voorwaarden voor toepassing van een nieuwe regel voldaan is?
  • In hoeverre wordt aandacht besteed aan het (nauwkeurig) formuleren van de nieuwe theorie?
  • Wordt de juistheid van een nieuwe stelling, algoritme of handelingsvoorschrift bewezen of (alleen) aannemelijk gemaakt?
  • In hoeverre worden de leerlingen actief bij de introductie van de nieuwe theorie betrokken?
  • Welke didactische hulpmiddelen (concreet materiaal, rekenmachine, computer) worden gebruikt?
  • Vinden de leerlingen de introductie van de nieuwe theorie duidelijk? Waaruit blijkt dat?
  • Geeft de docent aan wat de leerlingen ten aanzien van de nieuwe theorie moeten kennen en kunnen?
  • Vindt aansluitend verwerking plaats?
  • Geeft de docent eenvoudige oefeningen met de nieuwe theorie op die direct in de klas gemaakt moeten worden? En worden deze in dezelfde les nabesproken?
  • Worden, bijvoorbeeld door middel van complexere opgaven (problemen), relaties gelegd met andere leerstof?
  • Worden leerlingen geactiveerd?
  • Welke werkvorm(en) worden ingezet tijdens de les?
  • Worden leerlingen daarbij geactiveerd?
  • Worden (goede) vragen gesteld aan de leerlingen? (zie paragraaf 3.3 uit het Handboek voor Leraren)

Schrijf een kort verslag van 1 à 2 A4 waarin je ingaat op je observaties aan de hand van de volgende vragen:

  • Zijn er zaken die je opvallen?
  • Wordt de nieuwe stof helder uitgelegd?
  • Was er sprake van activerende didactiek?
  • Waren de werkvormen effectief (zie paragraaf 3.1 uit het Handboek voor Leraren)
  • Wat zou jij als docent willen overnemen, wat juist niet?

Bespreek je de les na met de geobserveerde docent. Gebruik daarbij deel III van het PCK formulier en voeg een samenvatting van de gesprekken toe ongeveer 1 A4.

Opdracht c. Observatie samenwerkend leren

Leerlingen kunnen veel van elkaar leren door samen te werken. Daarnaast vinden veel leerlingen het ook prettig om samen te werken. In deze opdracht ga je werkvormen observeren waarbij leerlingen moeten samenwerken.

Lees eerst paragraaf 3.5 uit het Handboek voor Leraren. Ga vervolgens op zoek naar een of meer docenten die in hun les een werkvorm gaan toepassen waarbij leerlingen samenwerken. Je vakcoach of BOS kan je daar bij helpen. Dit hoeft niet de hele les te zijn, een deel van de les is voldoende. Ga op zoek naar twee momenten van samenwerkend leren. Het mag bij dezelfde docent zijn.

Observeer of de werkvormen effectief zijn. Met andere woorden: leren leerlingen hiervan? De onderstaande vragen kunnen als leidraad dienen. Bevraag ook de docent over zijn ervaringen met samenwerkend leren.

  • Zijn alle leerlingen aan het werk, of zie je dat sommige leerlingen meeliften met de anderen?
  • Hebben de leerlingen elkaar nodig om de opdracht te maken?
  • Heeft iedere individuele leerling een duidelijke taak in het geheel?
  • Is er veel regelmatig contact tussen de leerlingen?
  • Is voor de leerlingen duidelijk hoe ze moeten samenwerken?
  • Zijn er bepaalde gedragsregels over het samenwerken?
  • Wordt er aandacht besteed aan hoe leerlingen moeten samenwerken?
  • Wordt het samenwerken in groepjes nabesproken, dan wel inhoudelijk, dan wel het samenwerkingsproces?
  • Wat doet de docent tijdens het samenwerken?

Schrijf een kort verslag van 1 à 2 A4 waarin je ingaat op je waarnemingen. Ga daarbij ook in op de volgende vragen:

  • Zijn er zaken die je opvallen?
  • Wat werkt wel en wat werkt niet? Zijn er manieren om de werkvormen of de uitvoer daarvan nog te verbeteren denk je?
  • Zijn dit werkvormen die je zelf, eventueel in aangepaste vorm, ook zou inzetten?