Menu +

Opdracht 10 – Individueel begeleiden van leerlingen

Het doel van deze opdracht is dat je inzicht krijgt in hoe leerlingen jouw vak leren. Tegelijk train je je eigen vaardigheden zoals luisteren, doorvragen en uitleggen.

tijdsbesteding: 5 uur

moment in de stage: vanaf halverwege de OS

resultaat: eigen verslag en een geselecteerd geluidsfragment

Opdrachtomschrijving

In deze opdracht ga je leservaring opdoen door leerlingen individueel te helpen. Het doel is dat je enig inzicht krijgt in hoe een leerling jouw vak leert en welke moeilijkheden een leerling daarbij kan ervaren. Verder oefen je vaardigheden zoals helder uitleggen, goede vragen stellen en adequaat inspelen op fouten die een leerling maakt. Leerlingen individueel helpen heeft ook vaak een ontnuchterende uitwerking: je denkt dat de docent iets heel goed en duidelijk heeft uitgelegd en vervolgens merk je dat er bij leerlingen toch niet zo heel veel van is overgekomen. Of ze hebben het verkeerd geïnterpreteerd. Soms ook merk je dan pas dat de problemen die ze hebben, berusten op lacunes in eerder verworven kennis of vaardigheden die jij als bekend had verondersteld.

Het individueel helpen van leerlingen brengt dus twee soorten leerervaringen met zich mee: je leert iets over leerlingen en je leert iets over jezelf. Individueel helpen van leerlingen kan op verschillende momenten: tijdens de zelfwerkzaamheid in de klas of buiten de les. Dit laatste kan bijvoorbeeld in de vorm van bijles of assisteren bij een huiswerkklas.

Maak een geluidsopname van je begeleiding, bijvoorbeeld met je mobiele telefoon. Bespreek met je vakcoach in een vroeg stadium de mogelijkheden. Aan het begeleiden zelf besteed je minstens 3 uur, dat is dus de tijd waarin je contact hebt met de leerlingen. Daarnaast heb je natuurlijk tijd nodig voor de voorbereiding en verslaglegging.

Bereid je grondig vóór op elke zitting waarin je leerlingen individueel helpt: neem de stof door, maak de opdrachten, bedenk waar moeilijkheden kunnen zitten, bedenk aanvullende voorbeelden en/of oefeningen. Luister tijdens iedere sessie goed naar wat je leerling zegt en let goed op wat hij/zij doet. Laat hem/haar dus veel aan het woord en aan het werk!

Ga na afloop van zo’n sessie, op grond van de opname en/of je aantekeningen en je herinneringen, na  wat er bij het helpen van de leerling goed en wat er fout ging.  Enkele voorbeelden:

  • “Ik was te veel zelf aan het woord en luisterde niet goed”.
  • “Ik had veel gemak van extra voorbereide voorbeelden”.
  • “Het was maar goed dat ik de opdracht eerst helemaal zelf uitgevoerd had.”
  • “Ik hield te veel vast aan mijn eigen aanpak”.
  • “Ik gaf de leerling nauwelijks tijd om na te denken”.
  • “Het werkte goed om tijdens de uitleg tekeningen te maken”.
  • “Het bleek belangrijk leerlingen het gevoel te geven dat ze best wel wat kunnen”.
  • “Ik had niet gedacht dat leerlingen de zaken zo slecht konden opschrijven”.
  • “Ik had me niet goed voorbereid, daardoor voelde ik me onzeker en dat had z’n weerslag op de leerling”.

Gebruik dit weer om leerdoelen voor jezelf te formuleren. Maak per sessie notities van wat je hebt opgemerkt, zowel over je leerling als over jezelf, en verwerk dit in een verslag van in totaal 1 à 2 A4. Onderbouw je beweringen met uitgeschreven fragmenten.

Neem dit verslag en een geselecteerd geluidsfragment op in je verslag OS.