Opdracht B – Individueel begeleiden van leerlingen

Het doel van deze opdracht is dat je inzicht krijgt in hoe leerlingen jouw vak leren. Door leerlingen één-op-één te begeleiden krijg je veel inzicht in het denken van de leerlingen. Iets wat bij een hele klas tegelijk veel moeilijker is. Leerlingen individueel helpen heeft ook vaak een ontnuchterende uitwerking: je denkt dat de docent iets heel goed en duidelijk heeft uitgelegd en vervolgens merk je dat er bij leerlingen toch niet zo heel veel van is overgekomen. Of ze hebben het verkeerd geïnterpreteerd.

Individueel helpen van leerlingen kan op verschillende momenten: tijdens de zelfwerkzaamheid in de klas of buiten de les. Dit laatste kan bijvoorbeeld in de vorm van bijles of assisteren bij een huiswerkklas. Zorg wel steeds dat je een leerling minstens 10 minuten achter elkaar begeleid, zodat je door kunt vragen en veel zicht krijgt op de manier van denken van de leerling. Zorg dat je totaal minstens 3 uur besteedt aan individuele begeleiding. Maak van enkele begeleidingsmoment een geluidsopname begeleiding, bijvoorbeeld met je mobiele telefoon. Bespreek met je vakcoach in een vroeg stadium de mogelijkheden.

Bereid je grondig vóór op elke sessie waarin je leerlingen individueel helpt: neem de stof door, maak de opdrachten, bedenk waar moeilijkheden kunnen zitten, bedenk aanvullende voorbeelden en/of oefeningen. Luister tijdens iedere sessie goed naar wat je leerling zegt en let goed op wat hij/zij doet. Laat hem/haar dus veel aan het woord en aan het werk!

Ga na afloop van zo’n sessie, op grond van de opname en/of je aantekeningen en je herinneringen, na  wat er bij het helpen van de leerling goed en wat er fout ging.  Enkele voorbeelden:

  • “Ik was te veel zelf aan het woord en luisterde niet goed”.
  • “Ik had veel gemak van extra voorbereide voorbeelden”.
  • “Het was maar goed dat ik de opdracht eerst helemaal zelf uitgevoerd had.”
  • “Ik hield te veel vast aan mijn eigen aanpak”.
  • “Ik gaf de leerling nauwelijks tijd om na te denken”.
  • “Het werkte goed om tijdens de uitleg tekeningen te maken”.
  • “Het bleek belangrijk leerlingen het gevoel te geven dat ze best wel wat kunnen”.
  • “Ik had niet gedacht dat leerlingen de zaken zo slecht konden opschrijven”.
  • “Ik had me niet goed voorbereid, daardoor voelde ik me onzeker en dat had z’n weerslag op de leerling”.

Maak een verslag waarin je aangeeft:

  • Welke leerlingen heb je begeleid, op welke onderwerpen?
  • Wat is je opgevallen over de leerlingen en hun manier van denken bij het begeleiden?
  • Wat is je opgevallen over jouw begeleiding? Wat ging goed, wat kon beter?
  • Welke conclusies trek je over jouw rol als docent?

Neem dit verslag  op in je verslag voor de oriënterende stage.

Verwachte tijdsbesteding: 6 uur