Menu +

Rubric op basis van 7 competenties

De beoordelingscriteria uit de wet BIO

De beoordelingscriteria bestaan uit zeven competenties, die staat omschreven in de wet BIO:

1. Interpersoonlijk competent
2. Pedagogisch competent
3. Vakinhoudelijk en didactisch competent
4. Organisatorisch competent
5. Competent in het samenwerken met collega’s
6. Competent in het samenwerken met de omgeving
7. Competent in reflectie en ontwikkeling

Elke competentie bestaat weer uit een set subcompetenties. In deze rubric staan deze beschreven. Er zijn enkele subcompetenties gekenmerkt door de opleiding als kritisch; deze zijn groen gemarkeerd. Voor deze kritische subcompetenties moet je minstens het niveau laten zien dat staat aangegeven. Dit zijn de kritische subcompetenties:

  • In contact met leerlingen
  • Veilige leeromgeving scheppen
  • Vakinhoudelijke kennis
  • Werkvormen
  • Organisatie (leer)proces
  • Organisatie leeromgeving
  • Feedback vragen en gebruiken

Voor de overige subcompetenties kun je ook compenseren: als je op een enkele minder scoort, hoeft dat niet te leiden tot het niet succesvol afronden van de stage.

In je portfolio neem je bewijsmateriaal op waarmee je laat zien hoe jij je hebt ontwikkeld per competentie en waar je nu staat per competentie.


Ik hoor vaak van vakcoaches dat ze enthousiast en tevreden zijn over onze studenten. Ze nemen verantwoordelijkheid en geven feedback waar de vakcoaches zelf ook weer van leren. Dat vind ik mooi: wederzijds leren.  Martin Bruggink, instituutsbegeleider vanuit de TU Delft


Wanneer invullen Rubric

Aan het eind van de Oriënterende stage laat je zien voor competenties 1 tot en met 4 in hoeverre je die beheerst. Gebruik het formulier competentieontwikkeling Rubrics. Dat doe je met de hulp en feedback van je vakcoach. Dit is de afronding van de OS en de start voor SPA. Tijdens SPA laat je nog twee keer zien (halverwege en aan het eind) met ditzelfde document hoe je ervoor staat. Daarbij wordt in ieder geval competentie 7 toegevoegd, en zodra dat mogelijk is, ook de competenties 5 en 6.

Doe je de Master, dan vormt de eindevaluatie van SPA het beginpunt van SPB. Opnieuw volgt een tussenevaluatie en een eindevaluatie, steeds voor alle competenties.

In zowel  SPA als in SPB laat je dus een aantal keer zien hoe je ervoor staat:

  • Aan het begin van de stage (= einde vorige stage)
  • Bij de tussenevaluatie
  • Aan het eind van de stage

Proces invullen Rubric

  • Jij en je vakcoach vullen de tabellen in. Zo geven jullie aan hoe je ervoor staat. Je ziet meteen hoe je bent ontwikkeld ten opzichte van de vorige keer. Kijk met name naar de groen gemarkeerde competenties, dat zijn de belangrijkste.
  • Je geeft bij elke competentie kort je belangrijkste ontwikkelingen aan (de competenties 5 tot en met 7 laat je in OS buiten beschouwing, en neem je tijdens SPA mee zodra je er aan gaat werken). Waar ben je in gegroeid? Je persoonlijke leerdoelen spelen daarbij in SPA en SPB een belangrijke rol.
  • De beweringen die je doet over je ontwikkeling koppel je waar mogelijk aan bewijsmateriaal: je weekjournaal  lesplannen, lesverslagen, nabesprekingen, stage-opdrachten en werk bij vakdidactiek. Op die manier lever je bewijs van je vorderingen.
  • Je geeft kort aan waar je de komende tijd aan gaat werken. Je stelt je persoonlijke leerdoelen dus bij.
  • Aan het eind van iedere stage lever je een portfolio in. Neem de ingevulde versies van Rubrics met de datum waarop deze is ingevuld daarin op.